Totaaloverzicht

Bentheimer Zandsteen bewerken - Bijenkorf vlechten - Dorsen - Frivolité - Glas-in-lood - Hout graveren - Houtdraaien - Hout snijden 1,2. - Imker - Kaarden - Kaas maken - Kantklossen 1 en 2 - Klederdracht-poppen - Klompenmaker -Kniepertjes bakken - Kralen tassen breien naar authentieke patronen - Kralen breien en Groenlands Kralenwerk - Manden maken van wilgentenen - Midwinterhoorn maken - Mosterd maken - Spinnen - Staphorster Stipwerk -Stoelen matten - Touwslaan- Wol vilten.

De ambachten met een bruine link (hierboven) kunt u rechtstreeks benaderen,

de overige ambachten benadert u via de pagina's
Ambachten A t/m H en Ambachten Q t/m Z.




Frivolité

Imker

Lid: de heer J.Wichink, Heeten.    
       
TOELICHTING:      
Een imker is iemand die zich bezighoudt met de domesticatie van bijen (bijenteelt of apicultuur), voor de bestuiving van planten of de winning van honing en bijenwas. Van de vier soorten honingbijen kunnen slechts de Apis mellifera en de Apis cerana door de mens worden gehouden. Lang voordat bijen door mensen werden gehouden, werd honing van in het wild levende bijen geoogst. De eerste berichten van bijenteelt dateren uit het oude Egypte. In de klassieke oudheid was het houden van bijen algemeen verspreid. Deze vroegste vormen van bijenteelt bestonden uit het vangen van bijenzwermen in uitgeholde boomstammen of aardewerken buizen, voor het oogsten van de honing moest het volk worden vernietigd. In sommige landen werd het houden van bijen in holle bomen tot ambacht verheven. Hiervoor werden dikke bomen van 4 tot 15 meter hoog gebruikt, waar de bijen in natuurlijke holten of door de mens uitgeholde plekken werden gehuisvest. Voor het verstevigen van de honingraten werden in de holten kruizen of raten geplaatst. Voor het verzamelen van honing werden lange nauwe uithollingen gebruikt. In Rusland vormde deze vorm van bijenhouden (daar bortnitsjestvo genoemd; van het woord 'bort'; "holle boom") tot in de 19e eeuw een belangrijke sector van de economie. Toen echter steeds meer bomen werden gekapt rond de plaatsen voor onder andere de landbouw, werd deze vorm van bijenhouderij daar geleidelijk aan vervangen door de bijenstal. Tot in de twintigste eeuw werden bijen in gevlochten bijenkorven gehouden. De methode van honing oogsten bleef hetzelfde. Omdat het bijenvolk daarvoor gedood moest worden, werd het zwermen aangemoedigd om aan nieuwe volken te komen. De introductie van de bijenkast met verwisselbare ramen in de negentiende eeuw (uitgevonden door Jan Dzierżon) zorgde voor een radicale breuk met het verleden. Het was nu mogelijk afzonderlijke raten uit de volken te halen, dat maakte het oogsten van honing eenvoudig en het afzwavelen van bijenvolken overbodig. Een andere ontwikkeling die bepalend is geweest voor de imkerij, is de komst van de varroamijt naar Europa. Sindsdien is de bestrijding van de varroa een vast onderdeel geweest van het imkeren. De komst van de varroamijt is voor veel imkers een reden geweest te stoppen met het houden van bijen. Honing wordt door de bijen gemaakt uit nectar. Honing kan in de lente, zomer en in de herfst worden geoogst, het hangt van de beschikbaarheid van nectarbronnen af wanneer precies. Honingsoorten van het voorjaar zijn fruithoning (Kers, appel, pruim en soms peer), wilgenhoning (als het weer goed is en er voldoende wilgen beschikbaar zijn) en soms paardenbloemhoning. Later kan de Kastanje honing opleveren en daarna de Acacia. De Linde is meestal de laatste belangrijke "dracht" voor de imker. Na de Linde is op de meeste plaatsen in Nederland niet veel honing meer te verwachten. Een uitzondering is soms de heide. Heidehoning is een heel speciale honing die door enkele imkers gewonnen wordt. Bijenwas wordt gebruikt voor de productie van kaarsen, zeep, boenwas, etc., en voor nieuwe kunstraat. Het wordt door vrijwel iedere imker gewonnen bij het vervangen van oude raten
foto's volgen nog.      


Kaarden

       
  Nadere gegevens en foto's volgen nog.    
       
TOELICHTING:      
Voor het spinnen wordt wol gekaard. Daarbij worden de vezels ontward. Het kaarden gebeurt met een kam met stalen punten. Machinaal gebeurt dit met een snel ronddraaiende cilinder voorzien van stalen punten of zelfs een naaldenbed. Vroeger werden hiervoor de vruchten van een plant, de kaardenbol gebruikt. Met het kaarden verdwijnen ook de laatste restanten vuil. Na het kaarden kan er eventueel direct gesponnen worden. Voor een fijner resultaat moet echter eerst nog gekamd worden Om een betere regelmatigheid in het uiteindelijke garen te krijgen, dienen ook diverse rek- en doubleerpassages toegepast te worden, waarbij de lont steeds regelmatiger en dunner wordt.
Foto's kaarden. Klik op de foto's voor een vergroting.    
       


Kaas maken

Lid: mw. Geertje Ziel    
TOELICHTING:      
Foto's ambacht <kaas maken> volgen nog. Klik op de foto's voor een vergroting.    
     
Informatie uit Wikipedia. Kaas is een voedingsmiddel gemaakt van melk. Bij het maken van kaas worden de vaste stoffen in de melk (eiwitten, vetten en mineralen) gescheiden van het vocht. Er wordt aan de kaas stremsel, zuursel en zout toegevoegd tijdens de bereiding. Kaas bevat, naast de hoofdbestanddelen dierlijk vet en eiwit, veel calcium en vitamines A, B en D. De eerste stap in kaasbereiding is het toevoegen van stremsel en zuursel aan de melk. Hierdoor gaan de eiwitten, vooral het caseïne, in de melk samenklonteren (coaguleren), waarbij het vet en vocht ingesloten wordt. Zo ontstaat de wrongel. Het zuursel bevat de melkzuurbacterie Lactococcus, de 'bolvormige melkbacterie'. Stremsel wordt gewonnen uit de maaginhoud van jonge dieren, bijvoorbeeld van kalveren of kunstmatig gemaakt. De witte, nog slappe wrongel die maar enkele uren was geperst werd vooral vroeger in Amsterdam gegeten als meikaas. Tegenwoordig is meikaas nauwelijks meer verkrijgbaar, omdat er slechts enkele liefhebbers van zijn.
De wrongel wordt in een vat gedaan en verder samengeperst. Vervolgens wordt de wrongel in zout water gedompeld (het zogenaamde pekelbad). Het zout dat in de kaas dringt, bevordert de korstvorming, de stevigheid, de smaak en ook de houdbaarheid. Een fabriekskaas blijft langer in de pekel liggen dan een echte boerenkaas; daardoor verliest de kaas meer vocht en wordt zouter. Een normale Goudse fabriekskaas zit op ongeveer 3,5% zout, een fabriekskaas met '25% minder zout' (Maaslander) op ongeveer 2,5% en een boerenkaas op ongeveer 2%.
De kaas is na het pekelbad nog slap en heeft weinig smaak. Door de kaas te laten rijpen wordt ze steviger. De rijping duurt 4 weken tot 1 jaar. Hoe langer de kaas rijpt, des te meer aroma's (smaak) worden gevormd.
De meeste Nederlanders hebben een uitgesproken voorkeur voor kaas met een bepaalde rijpingstijd. Om de rijpingstijd van een kaas aan te geven, bestaan er verschillende termen. Deze termen zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Tijdens het rijpingsproces ontstaan gaten in de kaas, die worden veroorzaakt door de uitzetting van het "laatgas". In Nederlandse kaas zitten meestal weinig gaten. Diverse kaassoorten worden bereid met hulp van schimmels die door de kaas heen (blauwschimmelkaas) of op de korst (witschimmelkaas) worden aangebracht.
Om kaas een specifieke smaak te geven, wordt tijdens de bereiding soms gebruikgemaakt van kruiden en specerijen, zoals komijn, kruidnagel, mosterd, sambal, pesto, rucola, bieslook, brandnetel of fenegriek.
Een theorie met betrekking tot de ontdekking van het productieproces van kaas is dat het zo'n zesduizend jaar geleden bij toeval is ontdekt door nomaden. Melk werd vaak bewaard in varkens- of rundermagen en als deze werden meegenomen, werd de melk voortdurend heen en weer geschud. Tijdens zo'n tocht kunnen de bacteriën die van nature in de maag zitten de zure melk veranderen in een vast (kaas) en vloeibaar (wei) gedeelte.
In de vroege geschiedenis werd in Nederland al kaas gemaakt. Dit blijkt uit gevonden aardewerk potjes uit ± 800 v.Chr. met gaatjes, waarin de wrongel uitlekte en kon drogen. In zijn boek 'De bello Gallico' uit 57 v.Chr. schreef Julius Caesar dat in de Lage Landen kaas werd gegeten. De provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Friesland zijn door de natte bodem het meest geschikt voor het houden van melkvee. In de Middeleeuwen werd al Nederlandse kaas naar het buitenland geëxporteerd. Nederland wordt vanaf de Gouden Eeuw (1600-1700) in het buitenland bekend als kaasland. Vroeger werd kaas door meestal de boerinnen zelf op de boerderij gemaakt. Eind 19e eeuw kwamen zuivelfabrieken op. Vooral in veenweidegebieden van Zuid-Holland en Utrecht zijn nog boerderijen waar kaas wordt gemaakt. Begin 21e eeuw waren er in heel Nederland ongeveer 500.
De Alkmaarse waag functioneert vanaf 1581 als kaaswaag. De kaas werd vaak per schip aangevoerd. Het gilde van de kaasdragers bestaat sinds 1619. De kaasmarkt van Alkmaar is tegenwoordig uitsluitend een toeristische attractie.


Kantklossen (1)

       
Lid: mevrouw M(arie) G. Broeze. Ambacht: kantklossen.    
       
TOELICHTING:      
Kant is een produkt dat onder het handwerk valt. Het is een typisch westers modeverschijnsel. Kant is de naam voor verschillende soorten kantwerk die worden ingedeeld volgens techniek en kenmerken. Er zijn twee grote basissoorten: de kloskant is een kantsoort die met de hand wordt gemaakt met behulp van klosjes. (zie verder)
Naaldkant is een kantsoort die met de hand wordt gemaakt met behulp van naalden. Deze kantsoort vergt ander materiaal en heeft geen gelijkenissen met kloskant. Door de eeuwen heen ontstonden er vele variaties en soorten. Men mengde ook soorten kant door mekaar, zoals een mengsel van naald- en kloskant. In de loop van de geschiedenis ontstond de machinale kant, een goedkope oplossing voor de dure kantindustrie. Kant is een oud ambachtelijk product. Waar het is ontstaan, in Vlaanderen of Italië, weet men niet precies.
Er was in die periode een nauwe culturele samenwerking tussen Vlaanderen en Venetië. Het is wel een feit dat er altijd meer kloskant werd geklost dan naaldkant omdat die goedkoper was.
Naaldkant is ontstaan uit open naaiwerk. Men versierde het boordje van de onderkleren dat uitstak boven de kleding. Daarvoor trok men draadjes uit de stof en men borduurde rond de ontstane opening, zowel horizontaal als verticaal. Op den duur trok men alsmaar meer draden uit om ingewikkelder versieringen te maken zodat er nog weinig stof overbleef. Tot iemand op het idee kwam om enkel met draden te werken. Men naaide de gespannen draden met een driegdraad vast op het patroon en men borduurde als voorheen. Men gebruikte dezelfde patronen. Dat is de reden waarom het zo moeilijk is om het ontstaan van naaldkant te bepalen.
Op het afgewerkt product kon men niet zien hoe men was gestart met stof of met draden. Kloskant wordt gemaakt met behulp van kantklosjes. Deze klosjes worden altijd in paren gebruikt, die over het gehele werk bij elkaar blijven behoren. Op deze klosjes worden draden gewikkeld. Een ervaren kantklosster kan werken met honderden klosjes tegelijk, die zeer snel om elkaar heen geslagen worden. Na het maken van een aantal slagen wordt een speld in het patroon gestoken, wat het vlechtwerk op zijn plaats houdt. Als een klosje leeg raakt, wordt er opnieuw draad omheen gewonden, dat aan het uiteinde van de oude draad wordt vastgeknoopt. Het knoopje wordt met een fijne schaar zo kort mogelijk afgeknipt. Kant wordt toegepast in kleedjes en in losse stukken. Het resultaat wordt vaak ingelijst of op een andere manier achter glas gezet. Vroeger werd kant veel in zowel dames- als herenkleding gebruikt. Kant werd gebruikt voor kragen en manchetten, langs de zomen van jurken, in doopjurken etc. In de katholieke kerken wordt tegenwoordig nog veel kant verwerkt in priesterkleding, altaarkleden en kleding voor heiligenbeelden.
Kant wordt tegenwoordig ook toegepast als moderne kunstvorm. Daarbij worden over het algemeen veel dikkere draden gebruikt. Sommige mensen pronken nog met oude stukken van hun voorouders; vooral koninklijke families gebruiken eeuwenoude stukken kant bij huwelijken en geboortes.
Foto's Kantklossen. Klik op de foto's voor een vergroting.


 


Klederdracht Poppen

       
       
       
       
  Lid: Mw. Mariet Mensink
    Klik op foto voor vergroting. Klik op foto voor vergroting.
       
Onderstaand treft u algemene informatie aan over het begrip klederdracht. Bron: Wikipedia      
foto's en specifieke beschrijving volgen nog.      
Met klederdracht of streekdracht (kortweg: dracht) wordt bedoeld de traditionele kleding die in gemeenschappen gedragen wordt of werd door een groot deel van de bevolking. Deze kleding maakt deel uit van de streekgebonden folklore en de geschiedenis ervan wordt vaak gedocumenteerd in volkenkundige en streekmusea. Klederdrachten worden in sommige streken nog in ere gehouden, in het bijzonder tijdens feestdagen en bijzondere ceremonies zoals oogstdankfeesten, oktoberfeesten, schuttersfeesten, optochten en folkloristische dansvoorstellingen. In de wetenschap wordt de voorkeur gegeven aan de term "streekdracht" omdat de dracht typisch is voor een bepaalde regio (bijvoorbeeld Walcheren, Zuid-Beveland of de Noord-Veluwe) of soms ook een enkel dorp (bijvoorbeeld Volendam, Scheveningen, Urk). Het woord klederdracht betekent letterlijk niet anders dan het dragen van kleding en wordt ook wel gebruikt voor de kleiding die hoort bij een bepaald beroep (bijvoorbeeld het uniform van een politieman of een verpleegster), of een bepaalde religieuze groep (bijvoorbeeld het keppeltje van een joodse man of de hoofddoek van een moslimvrouw). Toch zijn ook beroep en godsdienstige achtergrond van invloed op de streekdracht. In Bunschoten-Spakenburg waren er bijvoorbeeld (kleine) verschillen tussen de boeren- en de vissersdracht en in Scheveningen mocht een meisje alleen nettenboetster worden als zij in dracht was. In Zuid-Beveland bestaan er verschillen tussen de dracht van protestanten en die van rooms-katholieken en in het Gooi/Eemland werd de vierkante kap met bijbehorende kleding uitsluitend door katholieken gedragen.



Over het algemeen hebben de streekdrachten zich ontwikkeld uit de burgermode, die in de steden, vaak ook elders in Europa, werd gedragen. Doordat op het platteland de mode vaak "achterbleef" bij die in de steden bleven soms oude kledingvormen bewaard. Gaandeweg ontstonden daar ook weer eigen variaties in. Bij de Nederlandse streekdrachten kun je een onderscheid maken tussen "volksdrachten", vaak teruggaand op kledingvormen uit de 17e eeuw, en "modedrachten" ontstaan uit de 19e-eeuwse mode.
Kenmerkend voor de volksdrachten is bijvoorbeeld een kledingstuk als de kraplap. Dit is een rechthoekig stuk stof waarmee aan de voorkant de borst en aan de achterkant de rug wordt bedekt. Voor- en achterzijde zijn, met een uitsparing voor de hals, aan elkaar genaaid. Van oorsprong behoorde de kraplap eigenlijk tot de onderkleding en was dan een tamelijk onopvallend kledingstuk, maar in de verschillende drachten heeft de kraplap een eigen ontwikkeling doorgemaakt, het meest spectaculair was die ontwikkeling in Bunschoten-Spakenburg, waar de kraplap zich ontwikkelde tot een hard gesteven "harnas" dat zeer kenmerkend is geworden voor de dracht uit die plaats. Elders, bijvoorbeeld in Volendam, wordt de kraplap nog bedekt door een jakje, maar met uitsparingen aan de voor- en achterzijde zodat de bloemenversiering op de kraplap duidelijk opvalt. Soortgelijke ontwikkelingen hebben ook de gevouwen doek, die over de kraplap heen gaat, en het oorijzer gekend. Tot de volksdrachten kunnen de drachten van onder andere Staphorst, Spakenburg, Marken, Walcheren en Zuid-Beveland gerekend worden.
De modedrachten sluiten meer aan op de mode van de 19e eeuw. Over het algemeen bestaat de kleding dan uit een lange, wijde rok met onderrokken, een jak dat versierd is met plooien, kantjes, knoopjes en bandjes en soms -niet altijd- een schort. Typische modedrachten zijn bijvoorbeeld de drachten van het Kampereiland, Rijssen, Huizen en Noord-Beveland.
Over de klederdracht van mannen valt wat minder te vertellen. Een van de redenen is dat de mannendracht over het algemeen minder verschilt van de burgerdracht dan die bij de vrouwen. Ook is het zo dat meestal de mannendracht ten minste één generatie eerder uitsterft dan de vrouwendracht. Alleen Urk lijkt op deze regel een uitzondering te vormen.
Typisch voor veel mannendrachten is de zgn. "klepbroek", die niet met een rits maar met een klep gesloten wordt, en de gouden "keelknopen" waarmee het hemd wordt gesloten.

Daags en zondags
In vrijwel alle streekdrachten bestaat er een duidelijk verschil tussen de zondagse kleding en de daagse kleding. De zondagse kleding is over het algemeen zeer kostbaar en wordt alleen gedragen om erin naar de kerk te gaan, of -niet overal- bij heel bijzondere andere gelegenheden. In veel drachten geldt dat zondagse kleding nooit gewassen mag worden. Moet dat toch een keer gebeuren, dan is "de zondag eraf". Vooral aan de mutsen is te zien dat er zondagse kleding wordt gedragen. De knipmuts bijvoorbeeld werd uitsluitend op zondag gedragen. Ook de sieraden zijn vaak kostbaarder en mooier dan die voor de week. Bij de daagse kleding kan een onderscheid gemaakt worden tussen werkkleding en "opknapkleding". De "opknapkleding" is meer voor "netjes", nadat het werk in de stal, de tuin of de keuken is gedaan. Ook zou men nog de "uitgaanskleding" kunnen onderscheiden die bijvoorbeeld gedragen wordt als men boodschappen gaat doen op de markt, of als men op visite gaat. Werkkleding is meestal gemaakt van sterke en goed wasbare stof. Ook het "doorschuiven" van kledingstukken kwam vaak voor: een kledingstuk dat eerst voor de zondag bestemd was, wordt dan bijvoorbeeld na het eerste wassen als opknapkleding gebruikt, en uiteindelijk als werkkleding afgedragen.


Klompenmaker

       
TOELICHTING: Klik op de foto voor een vergroting .   Voor meer informatie over klompenmaken klikt u HIER.
Klompen zijn houten schoeisel dat sinds de oudheid bestaat en gedurende de middeleeuwen en nog lang daarna in grote delen van Europa gedragen werd, vooral door arbeiders en boeren. Een oude benaming is holleblok of holsblok. De tripklomp is een laag uitgesneden klomp met een leertje over de wreef die vooral door vrouwen en kinderen werd gedragen. Trippe en platijn zijn middeleeuwse houten zolen met lederbanden.

Ongeverfde klompen werden met zand of schelpgruis schoongeschuurd en in sommige gebieden witten vrouwen daarna hun klompen met krijtwit. Ze droegen deze gewitte klompen in huis en wanneer ze naar de kerk gingen.

Het lopen op klompen vereist een speciale techniek. Iemand die nog nooit op klompen heeft gelopen, kan er veel moeite mee hebben en al snel zijn of haar klompen verliezen. Door bij het optillen van de voet de tenen te krommen wordt de klomp vastgehouden. Mensen die vaak op klompen lopen doen dit onbewust. Het lopen op klompen doet aanvankelijk pijn aan de wreef, maar dat went snel.
Klompen worden meestal van populierenhout en wilgenhout gemaakt. Kenners beschouwen klompen als een warme en veilige vorm van voetbedekking. Traditioneel worden klompen in een gele kleur gelakt, soms met eenvoudige versieringen die van plaats tot plaats verschillen. Vaak doen de versieringen aan schoenveters denken, alsof men de klomp op een schoen wil doen lijken.

Door de week droeg men doorgaans ongeschilderde klompen. Bij de kerkgang was dat anders: mansklompen waren zwart geschilderd en vrouwsklompen naturel gelakt met een bloemmotief. Klompen uit de souvenirindustrie zijn vaak met molens of tulpen beschilderd.

Ook waren er klompen met scherpe metalen punten onder de klomp bevestigd, waarmee men op het ijs kon lopen zonder uit te glijden.

Anno 2010 ziet men in Nederland klompen alleen nog een enkele maal op het platteland. Veel (sier) klompen worden voor de souvenirindustrie gemaakt. Niet alleen van hout, maar ook van bijvoorbeeld Delfts blauw aardewerk.
Info: bron Wikipedia


Knieperties bakken -1

       
  Ambacht: knieperties bakken.    
       
TOELICHTING KNIEPERTJES BAKKEN:      
Een kniepertie (knijpertje, ook wel ijzerkoekje) is een zoete, dunne harde wafel die traditioneel rond de jaarwisseling wordt gebakken en gegeten in met name Drenthe, Groningen (kniepertjes, kniepkoukies) en Gelderland (de Achterhoek) Knieperties worden gebakken in speciale wafelijzers. Vroeger waren dit gietijzeren knijpijzers die boven het haardvuur werden gehouden. Nu worden elektrische wafelijzers gebruikt.
Het meest lijken knieperties nog op oubliehoorns zoals gebruikt voor schepijs, echter het recept is anders: zoeter, en met kaneel. Direct na het bakken, als het baksel nog warm is, kan het rond een stokje opgerold worden. Na afkoelen blijft een knapperig, hol rolletje over, dat door sommige mensen volgespoten wordt met slagroom. Anderen verkiezen een platgehouden kniepertie.

Oprollen
Volgens de traditie behoren de wafeltjes in december plat, als kniepertie, gepresenteerd te worden en vanaf nieuwjaarsdag als nieuwjaarsrolletje (of rolletje of rollechie(n)). De gedachte hierachter is dat in december het oude jaar zich volledig heeft ontvouwen. Op nieuwjaarsdag symboliseert het rolletje het onbekende nieuwe jaar. De platte versie wordt vooral in Drenthe en Overijssel gegeten, de opgerolde versie (nieuwjaarsrolletjes) meer in Groningen, Twente en de Achterhoek.
Kniepertjes kennen een andere receptuur dan rolletjes. Beide worden in eenzelfde wafelijzer bereid. Rolletjes worden gemaakt van een vloeibaar beslag dat in het ijzer wordt geschonken. Na enkele seconden wordt het uit het ijzer gehaald en vlug rond een houten stokje opgerold tot een rolletje. Eenmaal afgekoeld kan het desgewenst opgevuld worden met slagroom.
Foto's Kniepertjes bakken Klik op de foto's voor een vergroting.    
     


Kralen tassen breien

       
  Nadere gegevens en foto's volgen nog.    
       
TOELICHTING:      
Beschrijving en toelichting volgt nog. Beschrijving en toelichting volgt nog. Beschrijving en toelichting volgt nog. Beschrijving en toelichting volgt nog.
Foto's Kralen tassen breien. Klik op de foto's voor een vergroting.    
       


Manden maken

       
  Nadere gegevens en foto's volgen nog.    
       
TOELICHTING:      
Een mandenvlechter is een handwerkman die manden en ander vlechtwerk vervaardigt uit allerlei natuurlijke materialen zoals wilg, rotan, stro, rietstengels enz. In de westerse wereld is het een oud ambacht, dat enkel nog als hobby wordt beoefend en demonstreerd. Het vlechtwerk in de handel is allemaal geïmporteerd uit lage loonlanden. Vlechtwerk is zoals alle handvaardigheden erg arbeidsintensief en weinig concurrentieel met moderne materialen. Waar het vroeger een noodzakelijk gebruiksvoorwerp was in huis, landbouw en visserij maar ook in de industrie is het momenteel eerder huisopsmuk en van decoratieve aard. Enkel in de ontwikkelingslanden behoudt het zijn oorspronkelijke functie. Het materiaal waar hier in de lage landen traditioneel mee gevlochten werd is de éénjarige scheut van de wilg (Salix), die overigens ook wel de wis wordt genoemd. In de Ardennen werd ook wel hazelaar gebruikt. Hier wordt een heel andere techniek voor gebezigd en werd meestal slechts toegepast voor eigen gebruik. Dat vlechtwerk zeer oud is staat buiten twijfel. Door de vergankelijkheid van het materiaal is er zeer weinig van terug gevonden. Een mand van 100 jaar oud, is al heel respectabel. Toch zijn er enkele archeologische vondsten van enige duizenden jaren oud bekend. Onder andere een fuik die technisch zeer perfect is, welke gevonden is in de Leidse Rijn in Utrecht. Ook is er keramisch materiaal gevonden met afdrukken van vlechtwerk op. Dit staaft de hypothese dat de eerste gebakken potten met klei besmeerde manden zouden kunnen geweest zijn. Het vlechtwerk verbrandde natuurlijk bij het bakken maar liet zijn afdruk na op het aardewerk. De prehistorische mens vlocht de wanden van zijn woningen (bandkeramiekers) Hoe meer men zich vast vestigde en aan landbouw ging doen, hoe meer bevattende voorwerpen men nodig had. Primitief vlechtwerk heeft ook geen werktuigen nodig. Een vak met ingewikkelde werktuigen kan nooit oud zijn. Taalkundig heeft het woord vlechten in een aantal talen dezelfde stam wat ook een teken van grote ouderdom is.
Foto's: manden maken. Klik op de foto's voor een vergroting.    
       


Midwinterhoorn maken 1

       
De heer M. Bronsvoort - maakt midwinterhoorns.    
       
TOELICHTING:      
Een midwinterhoorn is feitelijk een primitief instrument, maar zonder hulp van een specialist is het bijna onmogelijk om een dergelijk instrument met een goed klinkend eindresultaat te fabriceren. Als grondstof wordt een natuurlijk gekromde, ongeveer 15 centimeter dikke en ongeveer 1,5 meter lange stam van berken-, elzen- of wilgenhout gebruikt. Na droging wordt deze stam verder bewerkt. Het geheel wordt dan in twee helften gespleten, die vervolgens weer 'gekuipt' worden: met gutsen uithollen tot het hout overal ongeveer een centimeter dik is. In vroegere tijden werden beide helften met speciaal bies weer samengevoegd en ontstond er op deze wijze een holle houten pijp, omwikkeld met Spaans riet. Daarna werd het geheel een aantal dagen in water gedompeld en werd de hoorn luchtdicht. Pas als deze luchtdicht was, kon erop geblazen worden om het karakteristieke geluid te horen. Later werden de helften aan elkaar gelijmd met houtlijm en werden wilgentakken gebruikt om de twee helften bij elkaar te houden. Deze wilgentakken dienen overigens meer voor de versiering. Dit is dus de 'modernere' manier om een hoorn te maken.

Het mondstuk - de zogenaamde 'happe' - wordt van vlierbeshout gemaakt. Het van nature zachte binnenste deel van het hout wordt verwijderd. Een vakman maakt dit mondstuk precies passend en bevestigt het tenslotte op de hoorn. Voor een uitvoerige toelichting op de geschiedenis van en het blazen op de Midwinterhoorn kunt u hier klikken. Voor nog meer informatie kunt u ook hier extra gegevens vinden: Historie Midwinterhoorn.
Foto's Midwinterhoorn maken. Klik op de foto's voor een vergroting.    
Hieronder vindt u nog enkele oudere foto's:      
 
Demonstratie op een markt.   Wilgenboom waarvan de hoorn wordt gemaakt. Het eindresultaat.


Midwinterhoorn maken 2

       
Lid: de heer Gerrit Tijhof. Ambacht: midwinterhoorn maken. De heer Tijhof is ook blazer van de Haarlese midwinterhoorn-groep. Ook beschikbaar voor vertellingen over de diverse hoorns tijdens uw bijeenkomsten, op aanvraag.  
       
Foto's Midwinterhoorn maken. Klik op de foto's voor een vergroting.    
       


Mosterd maken

TOELICHTING: lid: mw. Geertje Ziel    
       
Foto's inzake ambacht < mosterd maken> volgen nog. Klik op de foto's voor een vergroting.  
       
Mosterd is een in de keuken gebruikte kruidenpasta met meestal een scherpe smaak. Mosterd wordt gemaakt uit gemalen mosterdzaden, azijn, water, suiker en zout. Ook worden vaak kruiden en/of specerijen toegevoegd, zoals peper, mierikswortel, rozemarijn of zelfs lavendel. In navolging van Britse mosterdmakers wordt regelmatig kurkuma toegevoegd voor een intensere gele kleur. De naam komt vermoedelijk van most, het druivensap (nu de azijn) dat bij de bereiding werd gebruikt. De scherpe smaak van mosterd ontstaat pas als bepaalde enzymen tijdens de bereiding van de mosterd de glucosinolaten (mosterdglycosiden) omzetten. Daarvoor is ook de aanwezigheid van water nodig. Voor de bereiding van een simpele mosterdsoort is mosterdzaad, azijn, zout en naar smaak eventueel kruiden voldoende. Suiker is geen noodzakelijk ingrediënt en kan als men een zoetere mosterd wil eventueel door honing vervangen worden. Anders dan bij peper zijn de scherpe stoffen in mosterd vluchtig en prikkelen ook sterk het neusslijmvlies. Mosterdscherpte is ook vluchtiger dan die van rode peper.  


Klik hier om naar boven te gaan.




Printerversie


Kantklossen